vrijdag 2 december 2016

Ziekteverzuim

(I)

Hemels

Blauw-
verlies reeds één pedaal

De lichaamsbouw der wegen
Wegen door:

de das om boter-
vuist

gehuisvest in de vingers daver

ofschoon de kikker geen geluiden maakt,
wel de kaken blaast

mij de baas
loop ik de dinsdag binnen



(II)

Uiteindelijk
De pijp
Uit eindelijk

En rijkelijk
te laat om beter laat dan nooit te zijn

Hier aanbeland
Gestrand niet driewerf
ver voorbij

Hoezo, vandaag?


(III)

In de drup in maatpak
zonder kreuken

Beuken langs de weg
en op de deur wie laat me dan toch binnen-
stebuiten

Bulten heb ik op de woorden
die je mij ontnam

Hyperventilator maak me blazen wijs


(IV)

Zij
Was
Wit
Achter
Haar woorden


(V)

Dezelfde plaatsen haalt hij uit
En in nog een streek
zijn thuis

Maar het feest gaat er niet door
de deur blijft er gesloten

Onverdroten aan zijn kin een scheur
waarin de baard stroomt

van verloren tijd
aan roestrij vrezen
en de onmacht te genezen

Ooit de wanden breken
nu nog
dragees


(VI)

Steeds nog de geur van muur
de vensterzwachtels

Verder dan het matte schilderij
wil je niet gaan
oren smaken er wel door naar kurk
en ogen schutten

Zo behulpzaam
als de knoop waarin je woont is
toont de zon zich van
haar beste krant: elk raadsel
op zijn kop ontrafeld,

morgen


(VII)

Onraad (maandag)

De beat van mijn gebaren (kaakrood,
buikgewurm, oog oost west,
klamhandig handgemeen)

Krop: zwarte gordel en
gal cum laude

Onraad

Glad op straat
Krioelt het van de omgang
zeggen mij de vingers in de keel

Verraden


(VIII)

Krom keurig

Dartelend
door de deur dinsdag

naar binnen buiten-
komst uitkomst een gezicht van carnaval
handig op de helling

Wie goed gekeken heeft ziet niets
Wie er blind voor was
lijkwitte klappertanden
waar niet één spinazierestje tussen zit

zo dinsdag


(IX)

Geraak weer eens een stap vooruit
nacht tevergeefs – woensdag -
Het wemelt van de poeder,
nevel die het hospitaalgestel
de klok rond om de as doet struikelen

Het werkelijke heeft het veel te koud,
de ruimte erom rond
wordt ingenomen door een leegte
die te vol is van zichzelf

De hiel is halverwege
als het buiten klaar wordt, slaap
snijdt me de benen af,
zo voelt weer eens de ochtend

Stappen komen snel op mij terug
eens klaarwakker voor de spiegel


(X)

Als in de winter:
nauwelijks

van het ijs af
en doorrookt glad

poëtisch in de sneeuw gepist
en op de spits gedreven:

stem

weggestemd op donderdag
met hoest
en stapelgaten aan de klank
door de tanden zichtbaar

na het ijzige geen stilte
na het ijzige de gil van korte metten

ogen sluiten eerst


(XI)

Vrijdag: ziek zijn

Hemels tergen
Hemeltergend
hun plafond op mijn bevroren hoofd

verkondigen de middag: liggend,
avond schuddend

nacht nauwelijks begonnen,
almaar

tot de duisternis het wegdek wordt
waar oude wonden in een waaier rijden

Zaterdag:
wakker moet het wel


(XII)

Zo’n dag zondag
In de nerven van het vuur
en in de aders van de vlammen
die het zwart wit likken vloeien
zwermen onaantastbaar-
vormige vermoeidheid,
met het hoofd gebogen woede,
kloten van het lijf gerukt
en platgelopen drempels; barsten pochen er
met woongebied, hun vele gasten. Zelf
heb ik de diepste groef geboekt,
vooraf cash betaald
met schulden
van te lang geleden
van te lang te water
van te lange woorden
zoals minderwaardigheid-
cipres zorgen morgen
maandag


(S.C.)