vrijdag 31 oktober 2014

Angst elders

je klopte – uit beleefdheid –
voor ik je buiten wilde houden

doordrenkt van winter plots
            (nochtans de herfst zong maar net)
vroor het angst in mijn gespalkte aderen

één verpozing, één achteloze
halsknik en daar lag je weer: voeten lomp op tafel,
besmeurend mijn hermetisch blad uit zon

herschreven las je je aanzicht voor
elk woord had ik al duizend maal gehoord
de wervels wrongen,
het beven kefte:

engnek
schobbejak
ga elders angsten!

(S.C.)

woensdag 29 oktober 2014


Cousin

Het klopt:
zijn lijf heb je gestolen
ook zijn leeftijd nam je mee

Maar je vergeet: hij blijft,
zijn lach is luider dan je stuipen,
zijn ziel gespierder dan jouw oogst

Ja, hij won, niet andersom,
waarom?

Omdat hij stal wat jij niet kon:
de harten

(S.C.)

woensdag 22 oktober 2014

Door het oog van de pil


ze heet hen en niemand welkom,
namen noemt ze niet,
ze houwt algauw
een beeld uit hun gezichten

een blik dolt, rolt in koude klei
niks
kan ‘r kijkspel mollen

ook de zoete woordvloed
niet,

         koel
         door de slikken
pap

ergens
leunt een oor uit haar geweten
         en zo hoort het niet

wie?
wat?

(S.C.)

zondag 19 oktober 2014

Dorp (I-V)


(I)

weerpraatje
in het lenteloze dorp      een boom op
stelten       andermaal/hier/ginder
poogt de zon een bui

bang langs de randen in de marge schalt:
wie niet zomeren wil
moet voelen
                   nat    schijn nat

(S.C.)
                  

(II)

Stad:
van de dorpen in de
drup

Van de
drup
in koude

plassen

(S.C.)


(III)

de dorpsgek luidt
te luid

schaamte schaart zich rond de kerkklok

ook de stadsgek luidt

hoe luider
hoe sneller
zijn gelijken rijden door het rood
         (dood)   licht

(S.C.)



(IV)

dom, luid en in het gras
een speelplaats groot,
een zakdoek verder dan de buren
kijft de koster met een kekke mond:
de doopvont of je leven!


(V)

wie zonder zonde is
verhuist

het ijs in zienswijs
doet het kerkje krimpen

(S.C.)


zondag 12 oktober 2014

V(aneigens)

Jouw woorden zijn verhaal,
jouw ogen, lippen: landschap

Door jou, in jou zit ik nu vast
want geen dood rust in jouw schoot, alleen
de warmte van het dons rondom je dijen lonkt

Heb je dan de liefde van haar sterfelijkheid verlost,
het je dan een prop amnesia in haar mond gepropt?

Al die vragen weet je koest
in retoriek te houden terwijl ik droom van echt

en dat echt, dat echte echt
ben jij en jij en jij

(S.C.)

Halte

Halt,
hier is het warm
hier drogen haren sneller,
hier wordt je tong gesmeerd

Kijk uit
en blijf dat doen, word nou niet moe

Kijk uit
dat je weg zich niet van kar vergist

Kijk uit
voor de gladde schillen van het wachten

hier duurt het even,
maar heel even
hier worden dromen zat
wanneer je gulzig uren drinkt

(((((Wel dan )))))

Halt,
kijk uit, weg hier
auf wiedersehen tankstationnen vriend

(S.C.)