dinsdag 14 juni 2016

Op Leven En Dood

Leven
Zonder reden
Zonder duisternis
Zonsondergang (allang)
Zonder nagelnieuwe schouderbladen
Zonder        mij
                   bij-
Zonder
Leven is voornamelijk

Zonder
         Dood-
Zonde
         Dood is
Zondermeer 

         Niet meer en ook
         Niet meer

(S.C.)

woensdag 8 juni 2016

V(aneigens) XII

Het water schatert,
Maar het ijs breekt niet
De dagen naderen de polen,
Schudden vuur, droom,
Glimlach van zich af
En drijven ijzig

Op de fluistertonen van de tijd
Die met de voeten
In haar oeverloze tegenstromen baadt:
De wellust, het verkeren
Iets te wachten

Niemand die naar vlinders voelt
Niemand die de afstand temt

Tussen onze blikken naar elkaar
Zien we bekoring naar de muren staren

(S.C.)

Eindelozen

Het spervuur:
Mensen, dagen

Ademhappen;
Doen zij ook. Gedetineerden
Van de dood in exclusieve schoenen

Veel te midden
In dit eilandlandschap
Kreunt de liefde zich tot koningin,
Vorstin van peperkoeken aarde
Wij, malloten
Die de zeeën spoelen,
Zout op wond en wond op mond

We worden naar het graf ge-
Eindeloos-
D

(S.C.) 

woensdag 25 mei 2016

Gezichtsverlies (in twee wegwerpblikken)



















Getiteld gedicht (VIII)

Je bent geluid
Met sleet op, een verdwaalde vinger in de lucht
Een aanblik
Die piepende geluiden maakt

Het as glijdt steeds meer door mijn vingers
Bijna
Is het weg zijn weg of niet?
Voel ik op de schouders nu de traagheid van verdriet,
De koude valwind van verlies?
Vast zijn het nachtstrapatsen
Of verstrooiing – tegen
Alle wind in

Vast krankzin-
speel ik op mijn ruggeloze lood:
dat er leven is vóór de dood

(S.C.)

Getiteld gedicht (VII)

Geen nood dood
Verder
dan een blijk van leven
Kom ik niet

De diepte wordt onstuimig,
vrijt met haar gewicht
Ze likt mijn bitterheid –
Smaakt zoet – en aan het oppervlak
Geeft zij een kus

Ze draagt de horizon
Die wit in het onmeetbaar blikveld
Wegtrekt

Tot ik jouw gezicht er kan door zien

(S.C.)