woensdag 17 september 2014

...en dan naar bed

gezuiverd is het zwart van
schemer

ziekte is ontkleed
en de lucht vrijt met haar kiemen

kies een scheermes uit haar schoot,
besnijd voor eens tot nooit de dromen

en bedrijf eindelijk met haar de dood
tot leven en vergeten lijmen

(S.C.)


dinsdag 16 september 2014

J(olig) XIX

Koud-donker zijn je ogen
wanneer ik je belicht

Verblindend is het zwart
dat over vele jaren stilte valt

Ooit was er een moment
dat je een zondag in de hoek had liggen
met grote honger op de dorpel,
de deur op een oprechte kier

Je ruilde er begeerte om begeerte
zonder delen,
zonder het vernauwen van de dag door tijd

Toch glipte een seconde door de mazen
van het de liefde en bleek wat eeuwig leek
het eeuwige ontbreken. Trouw

(S.C.)

J(olig) XVIII

herboren met  enkels
in onverschilligheid getapet

waar jij bent
is ver en me verboden,
uit alle hoeken van de dagen zichtbaar

waar wij zijn
kan de liefde niets uit jouw geheugen
diepen

(S.C.)

maandag 15 september 2014

J(olig) XVII

langsheen kalksteenwanden
dwaal je door het stadse bos
als nimf gekneed uit asbestdeeltjes

oude kiezels kruimelen je weg en
leggen blaren op je hielen bloot

je wortels tonen nooit hun tanden
en houden zo de aarde van je zolen los

waar dan
brengt jouw droom je heen
wanneer hij nergens uit ontspruit?

wie dan
wijst de plek aan waar je wonen
wil/kan, vast?

toch doorkruis je slaafs het woud der liefde
en haar lange, wild verschanste paden

nog vreemder, onontgonnen is haar navel
maar dat deert je niet:

zij heeft zelf de voeten in de aarde
en haar aarde ligt aan je voeten

(S.C.)


XXII

stel dat ik de lente alsnog groet,
hoe zal de schors van de volharding kleuren,
zal ik een ring rijker zijn of logger?

mijn afgebroken takken,
en weggerotte wortels in herfst en winter
zijn één ding,

het rondslingerende spaan en splinters zijn
de echte kink in het verstand:

uitstel van herwonnen blindheid en
verdovend mos op mijn verschroeide huid

ook dan zal ik de liefde blijven zien
en naderen,  zij zal blijven huizen
op het einde van een eindeloze straat

(S.C.)

woensdag 10 september 2014

J(olig) XVI

haar hoofdsteun is een vreemde arm
die me de adem afsnijdt, een mand vingers
met krabgrage nagels

ik stik in haar met warme lucht gevulde kamer
die niet langer meer de onze is, één mond
anders en haar stem gonst in mijn slagerskop

alles bleef voor haar zoals het was, alleen
de liefde kreeg een andere naam en akoestiek

terwijl ik tussen het verhuizen door de boeien trof
die mijn rustplaats ongeneeslijk aan haar ziel verbonden

(S.C.)

Galglaan

vreemd krakend is de morgen,
rond mijn bed liggen losse flodders
in een vraag gebogen

had ik gisteren al het engelenhaar in de beruchte
omslag moeten stoppen
of moest de nacht er nog haar werkdag
over waken?

de gedachte is mijn hoofdkwartier, nooit langer,
ook ongrijpbaar
toch lijkt een eeuwigheid tussen bijna dood en
galg te liggen,

een vlakte sneeuw waarop gietijzeren liefdes
mijn hartslagaders breken met
vlijmscherpe hoop

als ik zelfs de tussentijd al niet kan doden,
hoe geloofwaardig zijn dan nog
de halsbrekende beloftes van mijn straat?

(S.C.)

dinsdag 9 september 2014

V(lucht)

ik ben man
noch vriend

ik ben het uit de voegen barsten van je
tijd in éénmanskamers

een opgave
waarvan je elke mogelijke uitkomst
opgeeft

(S.C.)

Wall Of Unintentional Blame


XXI

er is midden in de nacht
in overvloed en

tegelijk kortbij
een hele dag te lang

hoe langer ik hierbij stilsta,
hoe volwassener de gedachte wordt:

nabij
zal onvermijdelijk mijn leeftijd wissen

(S.C.)