zondag 19 oktober 2014

Dorp (I-V)


(I)

weerpraatje
in het lenteloze dorp      een boom op
stelten       andermaal/hier/ginder
poogt de zon een bui

bang langs de randen in de marge schalt:
wie niet zomeren wil
moet voelen
                   nat    schijn nat

(S.C.)
                  

(II)

Stad:
van de dorpen in de
drup

Van de
drup
in koude

plassen

(S.C.)


(III)

de dorpsgek luidt
te luid

schaamte schaart zich rond de kerkklok

ook de stadsgek luidt

hoe luider
hoe sneller
zijn gelijken rijden door het rood
         (dood)   licht

(S.C.)



(IV)

dom, luid en in het gras
een speelplaats groot,
een zakdoek verder dan de buren
kijft de koster met een kekke mond:
de doopvont of je leven!


(V)

wie zonder zonde is
verhuist

het ijs in zienswijs
doet het kerkje krimpen

(S.C.)


zondag 12 oktober 2014

V(aneigens)

Jouw woorden zijn verhaal,
jouw ogen, lippen: landschap

Door jou, in jou zit ik nu vast
want geen dood rust in jouw schoot, alleen
de warmte van het dons rondom je dijen lonkt

Heb je dan de liefde van haar sterfelijkheid verlost,
het je dan een prop amnesia in haar mond gepropt?

Al die vragen weet je koest
in retoriek te houden terwijl ik droom van echt

en dat echt, dat echte echt
ben jij en jij en jij

(S.C.)

Halte

Halt,
hier is het warm
hier drogen haren sneller,
hier wordt je tong gesmeerd

Kijk uit
en blijf dat doen, word nou niet moe

Kijk uit
dat je weg zich niet van kar vergist

Kijk uit
voor de gladde schillen van het wachten

hier duurt het even,
maar heel even
hier worden dromen zat
wanneer je gulzig uren drinkt

(((((Wel dan )))))

Halt,
kijk uit, weg hier
auf wiedersehen tankstationnen vriend

(S.C.)

woensdag 8 oktober 2014





















Klankgedicht: HIER

Log: pogen (I)

Ik verzocht niet,
verlangde wel. Dom

Ik keek
en liet een handdruk aan de knipoog over
neen, mij raak je niet

De zon scheen zich te moeien,
haar rand bleek
                bleek mijn rand te zijn

Tips-lome pillen
dansten op de smaakpapillen
en zo werd het in de scheurbuik
alsnog zomer

de zomer echter
ging voorbij,
ik niet, wederom
    niet

(S.C.)

dinsdag 7 oktober 2014

XXIV

de wind blies onverstaanbaar
op het eerste
                          oor

de stadsmus sleep de bek
en zong

met de maat strak om haar

middel

verfde ze de zon op het
verkeer

(S.C.)

donderdag 2 oktober 2014

XXIII

samen zijn we één,
vaak twee of lui rekenen er-
tussen

veelal schuilt de aanhef in het vlees
of filmlaag op de ogen
elk woord is ruis in matte talen

ontdaan van rok, broek en brein
ontstaat de hemel eindelijk
dronken scheurt de liefde door de hersenkronkels
tot beider harten stilstaan

tijd bekeert zicht tot de klok
eens het verlangen zonder brandstof valt
en aait met koude handen

godzijdank staat op tijdsbesef geen uur

(S.C.)

dinsdag 30 september 2014

Nageboorte

het lachen is gepleegd,
de weedom om
welk gezicht draagt dan de leugen?

één met mist en luwte in de vingers
één met stipt stille lippen,
plaatselijke tijd

dit koufront brengt lucht en leegte
samen

hun haast
verklapt een uitgelezen kijk

elk woord
is een verkorte moord

(S.C.)