dinsdag 29 juli 2014

Dialogen (XIII)

omdat jij af en toe wat zegt
ben ik niet de stomme
of de vleugelloze vluchter,
lippen nog op zak

spaar het speeksel tot we zwijgen
wacht niet tot ik mompel over koeien
laat het voetenspel, geneurie
op mijn valse trage waar ze horen:

in te weinig tijd,
in lades
en in dode hoeken

jouw oren zijn mijn mond, mijn mond
jouw stilte
’t klokje rond

(S.C.)