dinsdag 29 juli 2014

J(olig) II

Het was bloeitijd voor de nevel
en tijdens die volkomen zomer
doorheen alle winter
zoende je mijn bast van knoken
en oud gruis

zolang het zeggen zeeg
en ‘t zwijgen rees
zwoegden gif en kijven in één bed
en beet ik roosjes in jouw zoetige verzet

toen mijn gesel zich onstuitbaar van het hart ontdeed
en de te koude zeis ons zangspel spleet
schreven jouw satijnen vingers zoute zinnen
maar de zegen zweeg

Het was oogsttijd voor de hemel
en tijdens die vermoorde honger
doorheen alle wonden
voelde ik de doden dogen
en jij niet.
Aan de grond genageld
kruisten onze ogen-

blikken           

(S.C.)