dinsdag 29 juli 2014

XVIII

het huis, dat kreng
van kamers in de hoogte
ziet haar zieltje barsten

haar voegen kleuren rood,
haar goten tranen krom

de barst, als een twijg geslagen
eerder, in een blij verlicht moment,
ontvouwt haar takken tot zij in de nokbalk sterft

het huis, verbeten in haar grondlijn
bijt zich als de lijfreuk in het thuiszijn vast

de kelder noch de zolder rijmen
als ze door haar stenen prevelt

maar haar muren zijn niet anders

ze zal betreden worden
waar ze door de bouwheer is gebouwd

(S.C.)