woensdag 10 september 2014

J(olig) XVI

haar hoofdsteun is een vreemde arm
die me de adem afsnijdt, mandje vingers
met krabgrage nagels

ik stik in haar met ovenlucht gevulde kamer
die niet langer meer de onze is, één mond maar
en haar stem gonst in mijn slagerskop

alles bleef voor haar zoals het was, alleen
de liefde kreeg een andere naam en akoestiek

tussen het verhuizen door trof ik de boeien

die mijn rustplaats ongeneeslijk aan haar ziel verbonden

(S.C.)