donderdag 22 januari 2015

V(aneigens) IV

in de voorhal van de dag,
als ik de dweil van gisteren uitwring
zie ik schoonheid slapen
naakt of in pyjama, zacht tukkend
of wild zwemmend in de lakens

zij schrijft haar naam als mus
en spreekt hem uit in grijze tinten

doch wat op mijn netvlies brandt
is kleur, een schatkist klanken hoog gehakt
en wakkere dromen

zij belichaamt mijn perpetuum Amor

(S.C.)