dinsdag 8 september 2015

Eenmaal je bestond

Eenmaal je bestond
bestond niets meer, weg was alles
wereld,
velen, dag en dauw

Niets bleef overeind: de leegte niet,
de domper niet
ook enzovoort – waarmee het allemaal
begon – verdween

Het weer ook: regen, zon en hagel;
altijd wolken waar alleen een bed op stond
bestond

Ontstond hier dan het einde,
eindeloos nabij? Een afgrond dichterbij
van nu één wereld, jij na jij?

Eenmaal je bestond,
bestond ik maar een tijd, geheid
jouw warmste tropen over één nacht ijs

(S.C.)