woensdag 8 juni 2016

V(aneigens) XII

Het water schatert,
Maar het ijs breekt niet
De dagen naderen de polen,
Schudden vuur, droom,
Glimlach van zich af
En drijven ijzig

Op de fluistertonen van de tijd
Die met de voeten
In haar oeverloze tegenstromen baadt:
De wellust, het verkeren
Iets te wachten

Niemand die naar vlinders voelt
Niemand die de afstand temt

Tussen onze blikken naar elkaar
Zien we bekoring naar de muren staren

(S.C.)