dinsdag 11 oktober 2016

Nacht (I)

Ze neuriet nog de nachtegaal
en schapen; tel ik tegels,
muurverf hoeveel pillen nog
voor morgen. Vier. Ze valt in slaap,
ik val ernaast. Drie. Haast
was ik van de dag genezen
maar de zon blijft gaten branden
in het bed ik scheur gedachten nog
in tweeën maar het baat niet
Zie ze lachen. Twee.
Hoe ik op hun nagels hink
en zij m’n keelgat vingeren. Eén.
Teer even nog, de nacht wordt jong
tot de ochtend moeheid braakt.
Ze neuriet nog de nachtegaal
en schapen
en ik tel opnieuw

(S.C.)